Het is een tijdje stil geweest in het Veen. Dat is niet omdat er in het Veen niets gebeurt. Ik heb me laten vertellen dat er veel gebeurt in het Veen. Maar ik maak het niet meer helemaal van dag tot dag mee. Ik heb me, stedeling die ik me daar ben, laten verleiden tot het accepteren van een dagelijks tijdverdrijf in de Stad. Dat betekent geen dagelijkse tochten met de geelblauwe rups meer, geen dagelijkse opperste verwondering over wat men daar nu toch weer uit het Veen tevoorschijn weet te halen (lezer, weet, Witte Wiev'n zijn een bange kinderdroom vergeleken bij de wondere schepsels onzer Aarde die men daar soms aantreft!). Maar er komen natuurlijk veel dingen voor in de plaats. Zo kom ik nog steeds op doorreis regelmatig door het Veen, en wat ik hoopte en verwachtte is inderdaad bewaarheid: de Veenprovincie is werkelijk schitterend in de lente. Ik kan mij levendig voorstellen dat menig senior hier een aantal jaren van zijn leven doorbrengt. Dat ik daar zelf geen neiging toe voel heeft met mijn leeftijd te maken, en ook met het feit dat ik te gemakzuchtig ben en me liever door de urbane faciliteiten laat meevoeren dan dat ik noest arbeidend mijn autarke bestaan opbouw buiten de gestroomlijnde wereld.
Om een lang verhaal kort te maken: ik ben dus niet meer in het Veen, maar dat betekent niet dat ik u, lezer, niet nog wel eens de groeten kan doen, of op een of andere wijze verhaal kan doen van mijn wedervaren in de Stad, en in haar Ommelanden. Want ook in die Ommelanden ontwaart men van alles waarvan men vergeten was dat het live aan te treffen valt. Daarom vanaf vandaag weer regelmatig overwegingen en observaties uit het deel van het land waarvan menigeen denkt dat het aan de randen van de aarde ligt (Well, keep dreamin'!). Vanaf vandaag weer regelmatig Groet'n voor u, lezer. En bereid u maar voor op een lange, hete zomer, want er is altijd wel wat om over te schrijven.
donderdag 20 mei 2010
woensdag 6 januari 2010
Veenzucht
Ut Veen zompt
Ut Veen zuigt
Ut Veen zucht
Ut Veen buigt
Ut Veen gist
Ut Veen mist
Ut Veen molt
Ut Veen maalt
Ut Veen deint
Ut Veen daalt
Ut Veen wrikt
Ut Veen fikt
Kijkt!
Ut Veen wijkt!
Waad door Ut Veen dat droogstaat!
Ut Veen zuigt
Ut Veen zucht
Ut Veen buigt
Ut Veen gist
Ut Veen mist
Ut Veen molt
Ut Veen maalt
Ut Veen deint
Ut Veen daalt
Ut Veen wrikt
Ut Veen fikt
Kijkt!
Ut Veen wijkt!
Waad door Ut Veen dat droogstaat!
woensdag 30 december 2009
Waar gebeurt het?
Vanmorgen las ik in de geelblauwe rups een artikel in de Boekenbijlage van De Slijpsteen die ik vroeger ook had. Nu heb ik De Slijpsteen niet meer, en wie denkt dat ik een DVHN-adept ben geworden heeft het mis. Goed, DVHN klinkt als een hip kledingmerk, maar is dat niet. Het DVHN is de regionale krant hier in het Veen en omstreken. Daar voelde ik me dan toch net een tandje te goed voor, dus nu heb ik De Snobbenkrant, en lees ik in het Engels (dit om nakende hersenverweking tegen te gaan) berichtgeving over de EU, over internationale betrekkingen, over wereldwijde economie die mij meer leert over mijn eigen land (met als voorlopig hoogtepunt een artikel van een halve pagina over palingvisserij en het ontduiken van regelgeving door naar ik meen Marker palingvissers, compleet met interviews!) dan ik in de landelijke kranten ooit heb gelezen. Ik lees er meningen die uit alle windstreken komen, en niet alleen maar uit 's lands Westelijke polderstreken.
Maar vanmorgen had ik dus een kleine Wiedergutmachung met De Slijpsteen. In de bewuste boekenbijlage schreef Renate Dorrestein een bepaald niet onaardig opiniestuk over recensenten van romans, en dan met name over de verhouding van de waardering van ethiek en esthetiek in recensies: het een is per definitie vreemd en verwerpelijk, het ander is een welkom label om overal op te plakken als je het eigenlijk over het een zou moeten gaan hebben maar dit niet wilt of niet kunt. In dit artikel boende Dorrestein fijntjes de neuzen van het recensentenkorps, volgens haar helaas nog altijd bestaand uit een veel te homogene groep witte mannen van een bepaalde leeftijd woon- of werkachtig in Amsterdam, voor wie alles wat zich buiten de A10 afspeelt een eng en onbekend maar vooral ook totaal oninteressant en doods achterland is. En daar werd ik als nieuwe Buitenrandstedeling door getriggerd. Want ook toen ik in de Randstad woonde, ergerde ik mij er al een bult aan, die op vrijwel niets gebaseerde opvatting dat 'het' in Amsterdam gebeurt. Ja, het Muziekgebouw aan het IJ staat in Amsterdam, het Concertgebouw ook, de Stopera ook, en er staan een paar wereldberoemde musea in Amsterdam. En daar gebeuren inderdaad zeer fraaie dingen. Maar dat wil niet zeggen dat die niet ook elders gebeuren.
Mijn ergernis ebde weer weg, want ik dacht aan de Veenbewoners die goedmoedig zeggen wanneer je ze vertelt dat er hele volksstammen zijn die oprecht denken dat achter Utrecht Het Grote Bos begint dat nooit meer ophoudt: No, dan moet'n ze daor mar lekk'r blijv'n, ze kunn'n hier best 'ns wat koom'n bezichtig'n, as ze ok mar weer terug gaon...'. Bij het luisteren van de radio4daagse echter kwam mijn ergernis ineens weer naar boven. Want wat bleek nu tijdens de uitzending: mezzosopraan Christianne Stotijn (inderdaad niet de minste) was ten behoeve van een benefietconcert (haar gage ging naar een tropenarts geloof ik) he-le-maal naar de rand van de aarde afgereisd, ongetwijfeld een barre tocht die haar langs vele gevaren heeft gevoerd, om op te treden voor de inderhaast ter plekke verzamelde inboorlingen (jammer, dacht ik nog, dat Lévi-Strauss niet meer leeft, hij zou er ongetwijfeld een mooi verhaal van hebben kunnen maken). Een heldendaad: haar wedervaren werd welhaast hagiografisch beschreven, als betrof het een herleving van Bonifatius' goede werken. Stotijn werd alom geroemd door de presentator, deze keer niet om haar inderdaad grote muzikale talent, neen neen, maar om haar wens beschaving te brengen in de Donkere Gebieden, en al dat fraais ook nog eens pro bono!
En waar gebeurde dit, lieve lezer, welke stam van wiens holebeer werd daar door goddelijke klank verlicht? Houd u vast, het ging om het volgens de presentator (en ja, dit zei hij echt) volslagen onbekende plaatsje Oldeberkoop. Nu kan ik mij levendig voorstellen dat niet iedereen jaarlijks op bedevaart gaat naar Oldeberkoop (al kun je er dus kennelijk prachtige concerten van Christianne Stotijn horen), maar iedereen die wel eens via de A7 van Amsterdam (Zoals men in Rotterdam zegt: 'Waar lèg dat dan?') naar Groningen is gereden heeft op zijn minst een afslag Oldeberkoop zien staan bij Heerenveen in de buurt. Uw reporter spotte hem laatst nog middenin de nacht, dus helemaal onzichtbaar kan hij niet zijn.
Om in de sfeer van Renate Dorrestein te blijven: de moraal van dit verhaal luidt: bent u ook zo'n Amsterdamse provinciaal? Kijk in 2010 eens wat verder over de ring-A10, misschien ontdekt u dat er nog 15,5 miljoen mensen in dit zompig landje wonen.
Maar vanmorgen had ik dus een kleine Wiedergutmachung met De Slijpsteen. In de bewuste boekenbijlage schreef Renate Dorrestein een bepaald niet onaardig opiniestuk over recensenten van romans, en dan met name over de verhouding van de waardering van ethiek en esthetiek in recensies: het een is per definitie vreemd en verwerpelijk, het ander is een welkom label om overal op te plakken als je het eigenlijk over het een zou moeten gaan hebben maar dit niet wilt of niet kunt. In dit artikel boende Dorrestein fijntjes de neuzen van het recensentenkorps, volgens haar helaas nog altijd bestaand uit een veel te homogene groep witte mannen van een bepaalde leeftijd woon- of werkachtig in Amsterdam, voor wie alles wat zich buiten de A10 afspeelt een eng en onbekend maar vooral ook totaal oninteressant en doods achterland is. En daar werd ik als nieuwe Buitenrandstedeling door getriggerd. Want ook toen ik in de Randstad woonde, ergerde ik mij er al een bult aan, die op vrijwel niets gebaseerde opvatting dat 'het' in Amsterdam gebeurt. Ja, het Muziekgebouw aan het IJ staat in Amsterdam, het Concertgebouw ook, de Stopera ook, en er staan een paar wereldberoemde musea in Amsterdam. En daar gebeuren inderdaad zeer fraaie dingen. Maar dat wil niet zeggen dat die niet ook elders gebeuren.
Mijn ergernis ebde weer weg, want ik dacht aan de Veenbewoners die goedmoedig zeggen wanneer je ze vertelt dat er hele volksstammen zijn die oprecht denken dat achter Utrecht Het Grote Bos begint dat nooit meer ophoudt: No, dan moet'n ze daor mar lekk'r blijv'n, ze kunn'n hier best 'ns wat koom'n bezichtig'n, as ze ok mar weer terug gaon...'. Bij het luisteren van de radio4daagse echter kwam mijn ergernis ineens weer naar boven. Want wat bleek nu tijdens de uitzending: mezzosopraan Christianne Stotijn (inderdaad niet de minste) was ten behoeve van een benefietconcert (haar gage ging naar een tropenarts geloof ik) he-le-maal naar de rand van de aarde afgereisd, ongetwijfeld een barre tocht die haar langs vele gevaren heeft gevoerd, om op te treden voor de inderhaast ter plekke verzamelde inboorlingen (jammer, dacht ik nog, dat Lévi-Strauss niet meer leeft, hij zou er ongetwijfeld een mooi verhaal van hebben kunnen maken). Een heldendaad: haar wedervaren werd welhaast hagiografisch beschreven, als betrof het een herleving van Bonifatius' goede werken. Stotijn werd alom geroemd door de presentator, deze keer niet om haar inderdaad grote muzikale talent, neen neen, maar om haar wens beschaving te brengen in de Donkere Gebieden, en al dat fraais ook nog eens pro bono!
En waar gebeurde dit, lieve lezer, welke stam van wiens holebeer werd daar door goddelijke klank verlicht? Houd u vast, het ging om het volgens de presentator (en ja, dit zei hij echt) volslagen onbekende plaatsje Oldeberkoop. Nu kan ik mij levendig voorstellen dat niet iedereen jaarlijks op bedevaart gaat naar Oldeberkoop (al kun je er dus kennelijk prachtige concerten van Christianne Stotijn horen), maar iedereen die wel eens via de A7 van Amsterdam (Zoals men in Rotterdam zegt: 'Waar lèg dat dan?') naar Groningen is gereden heeft op zijn minst een afslag Oldeberkoop zien staan bij Heerenveen in de buurt. Uw reporter spotte hem laatst nog middenin de nacht, dus helemaal onzichtbaar kan hij niet zijn.
Om in de sfeer van Renate Dorrestein te blijven: de moraal van dit verhaal luidt: bent u ook zo'n Amsterdamse provinciaal? Kijk in 2010 eens wat verder over de ring-A10, misschien ontdekt u dat er nog 15,5 miljoen mensen in dit zompig landje wonen.
zaterdag 5 december 2009
Het Veen on Tour
Wie denkt dat je uit het Veen wegkomt door 8 uur in een geelblauwe dan wel roodgrijze rups te kruipen vergist zich. Zelfs wanneer je als would be refugee in Metropool B. aankomt om er over De Toekomst van je Business te praten is het Veen dichterbij dan je denkt. Er zijn overigens vervelender plaatsen om over een dermate interessant en inspirerend onderwerp te praten dan Metropool B, stad van oude en nieuwe business, stad van historie en toekomst, stad van omzien in verwondering, ontroerd raken door het heden, en, geloof het of niet, met groeiende verwachting en beginnend reikhalzen naar de toekomst willen kijken.
Met andere woorden, B. is een uitstekende plaats om eens te reflecteren over De Toekomst van je Business. En daarmee ook over De Toekomst van Het Veen. Het Veen dat, als we de legendes mogen geloven, wezens voortbrengt die in staat zijn zich uit hun eigen as te herscheppen. Het Veen dat zich al meer dan 200 jaar min of meer genoeglijk koestert in de wetenschap dat het, zompend als het is, uitstekend in staat is om een status quo tot in lengten van dagen te conserveren. Een bezoek aan het eveneens legendarische Butter Museum in de Ierse havenstad C. leert ons dat de Ieren eeuwen geleden terug al heel goed wisten dat je boter prima kunt conserveren in... precies: Veen. Je stopte de boter in een houten vat, groef het in in het Veen, en hoppekee, een kleine 1000 jaar later kunnen we het halfvermolmde vaatje nog altijd aanschouwen in het betreffende museum.
Welnu, in metropool B. constateerden geheim agenten TT en R2 eenzelfde situatie: als je maar glad genoeg bent en je hebt iets met Veen, blijf je veel langer in shape dan iedereen denkt. Het eerste echt in het oog springende aanplakbiljet in deze van cultuuruitingen kolkende stad, was het postertje dat de glimmende (want met restanten van een lokale boterberg ingevette?) halfkale schedel toonde van een Nederlandse, bij onze Oosterburen mateloos populaire volksclown, bij ons inmiddels bekend als self-confessed politiek specialist. De vedel vlijtig onder de kin geklemd, compleet met stereotiepe rode dopneus, fronsrimpels en min of meer oprecht overkomende knipperwimpers stond hij daar op het inmiddels voor de helft overplakte postertje. Na al die jaren, in weerwil van knettergekke kritieken, nog altijd onderweg. We werden toch wel even door nationale trots overvallen. JPB gaat weliswaar niet naar Brussel, maar wel kregen we een herbenoeming voor Good Old Neelie K. (You rock! Go woman!), het hoogste aantal buitenlandse deelnemers aan de Online Educa conferentie, en ook wordt deze inmiddels in Nederland bedreigde diersoort, nog steeds zonder vrees aangekondigd in uitgerekend metropool B., ooit de gedroomde hoofdstad van een nimmer eindigend rijk. (Je zou qua conservatiegraad blij worden dat die stad niet op veengrond gebouwd is...)
Het was een voorbeeld van Het Veen op zijn (re)tour vermoed ik. Daarnaast was het overigens ook wel een erg vertrouwd gezicht. Ik ben vandaag zo vrolijk, zo vrolijk, zo vrolijk...
Met andere woorden, B. is een uitstekende plaats om eens te reflecteren over De Toekomst van je Business. En daarmee ook over De Toekomst van Het Veen. Het Veen dat, als we de legendes mogen geloven, wezens voortbrengt die in staat zijn zich uit hun eigen as te herscheppen. Het Veen dat zich al meer dan 200 jaar min of meer genoeglijk koestert in de wetenschap dat het, zompend als het is, uitstekend in staat is om een status quo tot in lengten van dagen te conserveren. Een bezoek aan het eveneens legendarische Butter Museum in de Ierse havenstad C. leert ons dat de Ieren eeuwen geleden terug al heel goed wisten dat je boter prima kunt conserveren in... precies: Veen. Je stopte de boter in een houten vat, groef het in in het Veen, en hoppekee, een kleine 1000 jaar later kunnen we het halfvermolmde vaatje nog altijd aanschouwen in het betreffende museum.
Welnu, in metropool B. constateerden geheim agenten TT en R2 eenzelfde situatie: als je maar glad genoeg bent en je hebt iets met Veen, blijf je veel langer in shape dan iedereen denkt. Het eerste echt in het oog springende aanplakbiljet in deze van cultuuruitingen kolkende stad, was het postertje dat de glimmende (want met restanten van een lokale boterberg ingevette?) halfkale schedel toonde van een Nederlandse, bij onze Oosterburen mateloos populaire volksclown, bij ons inmiddels bekend als self-confessed politiek specialist. De vedel vlijtig onder de kin geklemd, compleet met stereotiepe rode dopneus, fronsrimpels en min of meer oprecht overkomende knipperwimpers stond hij daar op het inmiddels voor de helft overplakte postertje. Na al die jaren, in weerwil van knettergekke kritieken, nog altijd onderweg. We werden toch wel even door nationale trots overvallen. JPB gaat weliswaar niet naar Brussel, maar wel kregen we een herbenoeming voor Good Old Neelie K. (You rock! Go woman!), het hoogste aantal buitenlandse deelnemers aan de Online Educa conferentie, en ook wordt deze inmiddels in Nederland bedreigde diersoort, nog steeds zonder vrees aangekondigd in uitgerekend metropool B., ooit de gedroomde hoofdstad van een nimmer eindigend rijk. (Je zou qua conservatiegraad blij worden dat die stad niet op veengrond gebouwd is...)
Het was een voorbeeld van Het Veen op zijn (re)tour vermoed ik. Daarnaast was het overigens ook wel een erg vertrouwd gezicht. Ik ben vandaag zo vrolijk, zo vrolijk, zo vrolijk...
maandag 30 november 2009
Folklore, de Drentse Veeniks

De oude Drenten geloofden dat de Veeniks in staat was steeds weer opnieuw uit zijn eigen as herboren te worden. Hij zou in het veen van kopij een nest maken en daarin verbranden. Door de geur van de brandende kopij werd hij opnieuw geboren. In de Drentse cultuur staat het dier symbool voor de vrouwelijke redacteuren van de wereld.
De oud Drentse dichter Gezinius Johannes schreef in 2011 in een gedicht dat de Veeniks geen zaden en grassen eet, maar het sap van sompige turf gebruikt als levensmiddel. Na vijfhonderd jaar gewerkt te hebben zou de Veeniks laag in het mos een nest van xml, kopij en mirre maken. Als hij erin zat vloog het in brand. De geur van de brand neemt de ziel van de oude Veeniks mee. Het lichaam verbrande en er kwam een kleine Veeniks uit. Hierin nam de oude ziel opnieuw plaats om weer 500 jaar kopij te verwerken.
Historici geloven dat de legende van de Veeniks ontstaan is rond het jaar 2009, toen een groep vrouwelijke redacteuren door de Drentse venen dwaalde, wanhopig op zoek naar goede kopij. Zij zouden steeds opnieuw branden hebben gesticht om hun smeekbedes kracht bij te zetten. Hoe het met de dwalende redacteuren is afgelopen, vertelt de overleving ons niet.
Hoe ik uit het veen ontsnapte (2)
Ik begon op mijn nieuwe station op een dinsdagmorgen. De zondagmiddag daarvoor had ik afscheid genomen van de blauwe zaal en van de schilderijen die me vanaf hun plaats aan de wand, met al hun flair en levenslust, wekenlang gezelschap hadden gehouden. 's Maandags sliep ik uit en dwaalde vervolgens wat verloren door mijn huis en door de stad. Alsof ik de dag erna niet op een nieuwe post, maar aan een geheel nieuwe baan zou beginnen.
Die eerste dag waren de foto's onbekenden voor me. Ze misten elk reliëf, weerkaatsten het zonlicht met hun glossy finish en gaven niets van zichzelf prijs aan mij. Ik nam niet de tijd de zaal rond te lopen om de kunstwerken te bekijken, bang dat de herinnering, het beeld van de schilderijen uit de blauwe zaal dan te snel zou vervagen.
Het publiek, dat zonder naar me op te kijken naar binnen wandelde, aanschouwde ik met argwaan. Wie waren deze mensen? Kwamen zij speciaal voor deze vlakke prenten naar het museum? Hadden zij hun ogen eerst de kost gegeven aan mijn schilderijen en kwamen zij slechts naar de derde verdieping om de tijd te doden? De liefhebber van fotografie was een ander slag dan de schilderkust aficionado, zo oordeelde ik. Minder hartelijk, minder flamboyant, luidruchtiger ook... Ze kwamen binnen en hadden vrijwel direct hun mening klaar, een mening die zij ook steeds hardop kenbaar maakten.
Tegen het middaguur voelde ik me eenzaam en teneergeslagen. Ik nam de lift naar de kantine in het souterain, kocht een broodje en een kom soep en schoof aan bij collega's aan de leestafel. De map met tijdschriften bood weinig dat mij kon boeien. Een Panorama, twee Libelles, een Nieuwe Revu, allemaal weken oud. Er werd wat gepraat en gelachen om mij heen, ik luisterde er maar met een half oor naar. Twee dames van de museumwinkel vertelden elkaar over kleinkinderen en een echtgenoot die – voor zover ik meekreeg – door Frankrijk toerde, mee in de Tour de France karavaan. Juist toen ik mijn soep op had en weer naar de koolzaadgele zaal zou teruggaan, schoof een oudere heer bij mij aan tafel. Hij knikte vriendelijk, wenste me 'goede bekomst' en sloeg de leesmap met een resoluut gebaar dicht.
"Zo", zei hij en knikte nogmaals. "De nieuwe man van de fotozaal."
Ik knikte ook. "Onderweg naar boven", zei ik en schoof mijn stoel naar achter om te gaan staan.
Plotseling boog de man naar voren, zijn gezicht vlak bij dat van mij.
"Heb je al een rondje gelopen...?" fluisterde hij. "Rondgelopen en goed gekeken?"
"Euhm, nog niet", stamelde ik.
De man ging weer rechtop zitten. Hij glimlachte. "Zou ik doen", zei hij en tikte een hardgekookt ei tegen de rand van zijn bord tot de schaal brak. "Zou ik zeker doen."
Ik ging staan, de lege soepkom in mijn handen. Ik verwachte dat hij nog iets ging zeggen maar hij bleef stil. Hij lachte alleen en begon met zorg zijn ei te pellen.
"Fijne middag", mompelde ik, draalde nog even en liep toen weg.
Op de derde verdieping was ik terug in de stilte. De liftdeuren sloten achter me en alleen mijn voetstappen weerklonken nog door de hoge hal. Ik was tevreden over het geluid van mijn schoenen. Ze hadden een heldere, effen klank.
Het licht in de gele zaal was anders van voor de lunch, viel me op. Ik keek omhoog naar de dakkoepel en zag dat er wolken voor de zon waren geschoven. Twee meeuwen dartelden om elkaar heen en verdwenen toen uit zicht. Ik was alleen.
Nu de zon niet langer ongehinderd naar binnenkwam om van de lijsten te weerkaatsen, leken de foto's me ineens uit te nodigen. Het geel van de wanden was zachter, de ruimte leek er kleiner, gemoedelijker door. Ik had nog geen rondje gelopen. (wie was die man?) Ik was de drempel niet overgestapt, was nauwelijks van mijn post in de deuropening geweest.
Met een zachte 'ting' liet de lift me weten dat ik niet langer alleen was. De deuren schoven open en een oudere dame in een mauve mantel stapte naar buiten. Ze keek om zich heen en stevende vervolgens mijn kant op.
"Jongeman!", zei ze toen ze halverwege de hal was. "Jongeman, de Chineze vasen, waar vind ik die?"
Ze boog voorover om langs mij heen de zaal in te kijken, fronste misprijzend haar wenkbrauwen en keek mij daarna dringen aan. Haar reactie, haar ongenoegen over wat ze zag, stoorde mij bijzonder. Nog voor ze daadwerkelijk iets gezien had, had ze haar mening al klaar.
"Beneden", zei ik, wat kortaf. "In het paviljoen."
De vrouw maakte een nuffig geluid, keerde zich op haar hielen om en liep weg.
Op pijnlijke wijze was ik zojuist op mijn eigen misvattingen gewezen. Ik had me geërgerd aan de vooringenomenheid van de oude dame maar realisserde me maar al te zeer dat ik precies zo was als zij. Ik had de prenten in de gele zaal geen blik waardig gegund.
Nog voor de liftdeuren zich achter de vrouw in de mauve mantel gesloten hadden, liep ik de zaal in. Door naar de ebbenhouten bank in het midden en bleef staan.
Mijn adem stokte.
Daar, recht voor me, hingen ze, de meisjes op het hunebed. Een straal zonlicht kroop langs de wolken en gleed over haar, een blote schouder, de eeuwenoude stenen.
Die eerste dag waren de foto's onbekenden voor me. Ze misten elk reliëf, weerkaatsten het zonlicht met hun glossy finish en gaven niets van zichzelf prijs aan mij. Ik nam niet de tijd de zaal rond te lopen om de kunstwerken te bekijken, bang dat de herinnering, het beeld van de schilderijen uit de blauwe zaal dan te snel zou vervagen.
Het publiek, dat zonder naar me op te kijken naar binnen wandelde, aanschouwde ik met argwaan. Wie waren deze mensen? Kwamen zij speciaal voor deze vlakke prenten naar het museum? Hadden zij hun ogen eerst de kost gegeven aan mijn schilderijen en kwamen zij slechts naar de derde verdieping om de tijd te doden? De liefhebber van fotografie was een ander slag dan de schilderkust aficionado, zo oordeelde ik. Minder hartelijk, minder flamboyant, luidruchtiger ook... Ze kwamen binnen en hadden vrijwel direct hun mening klaar, een mening die zij ook steeds hardop kenbaar maakten.
Tegen het middaguur voelde ik me eenzaam en teneergeslagen. Ik nam de lift naar de kantine in het souterain, kocht een broodje en een kom soep en schoof aan bij collega's aan de leestafel. De map met tijdschriften bood weinig dat mij kon boeien. Een Panorama, twee Libelles, een Nieuwe Revu, allemaal weken oud. Er werd wat gepraat en gelachen om mij heen, ik luisterde er maar met een half oor naar. Twee dames van de museumwinkel vertelden elkaar over kleinkinderen en een echtgenoot die – voor zover ik meekreeg – door Frankrijk toerde, mee in de Tour de France karavaan. Juist toen ik mijn soep op had en weer naar de koolzaadgele zaal zou teruggaan, schoof een oudere heer bij mij aan tafel. Hij knikte vriendelijk, wenste me 'goede bekomst' en sloeg de leesmap met een resoluut gebaar dicht.
"Zo", zei hij en knikte nogmaals. "De nieuwe man van de fotozaal."
Ik knikte ook. "Onderweg naar boven", zei ik en schoof mijn stoel naar achter om te gaan staan.
Plotseling boog de man naar voren, zijn gezicht vlak bij dat van mij.
"Heb je al een rondje gelopen...?" fluisterde hij. "Rondgelopen en goed gekeken?"
"Euhm, nog niet", stamelde ik.
De man ging weer rechtop zitten. Hij glimlachte. "Zou ik doen", zei hij en tikte een hardgekookt ei tegen de rand van zijn bord tot de schaal brak. "Zou ik zeker doen."
Ik ging staan, de lege soepkom in mijn handen. Ik verwachte dat hij nog iets ging zeggen maar hij bleef stil. Hij lachte alleen en begon met zorg zijn ei te pellen.
"Fijne middag", mompelde ik, draalde nog even en liep toen weg.
Op de derde verdieping was ik terug in de stilte. De liftdeuren sloten achter me en alleen mijn voetstappen weerklonken nog door de hoge hal. Ik was tevreden over het geluid van mijn schoenen. Ze hadden een heldere, effen klank.
Het licht in de gele zaal was anders van voor de lunch, viel me op. Ik keek omhoog naar de dakkoepel en zag dat er wolken voor de zon waren geschoven. Twee meeuwen dartelden om elkaar heen en verdwenen toen uit zicht. Ik was alleen.
Nu de zon niet langer ongehinderd naar binnenkwam om van de lijsten te weerkaatsen, leken de foto's me ineens uit te nodigen. Het geel van de wanden was zachter, de ruimte leek er kleiner, gemoedelijker door. Ik had nog geen rondje gelopen. (wie was die man?) Ik was de drempel niet overgestapt, was nauwelijks van mijn post in de deuropening geweest.
Met een zachte 'ting' liet de lift me weten dat ik niet langer alleen was. De deuren schoven open en een oudere dame in een mauve mantel stapte naar buiten. Ze keek om zich heen en stevende vervolgens mijn kant op.
"Jongeman!", zei ze toen ze halverwege de hal was. "Jongeman, de Chineze vasen, waar vind ik die?"
Ze boog voorover om langs mij heen de zaal in te kijken, fronste misprijzend haar wenkbrauwen en keek mij daarna dringen aan. Haar reactie, haar ongenoegen over wat ze zag, stoorde mij bijzonder. Nog voor ze daadwerkelijk iets gezien had, had ze haar mening al klaar.
"Beneden", zei ik, wat kortaf. "In het paviljoen."
De vrouw maakte een nuffig geluid, keerde zich op haar hielen om en liep weg.
Op pijnlijke wijze was ik zojuist op mijn eigen misvattingen gewezen. Ik had me geërgerd aan de vooringenomenheid van de oude dame maar realisserde me maar al te zeer dat ik precies zo was als zij. Ik had de prenten in de gele zaal geen blik waardig gegund.
Nog voor de liftdeuren zich achter de vrouw in de mauve mantel gesloten hadden, liep ik de zaal in. Door naar de ebbenhouten bank in het midden en bleef staan.
Mijn adem stokte.
Daar, recht voor me, hingen ze, de meisjes op het hunebed. Een straal zonlicht kroop langs de wolken en gleed over haar, een blote schouder, de eeuwenoude stenen.
vrijdag 27 november 2009
De Veen-Clinique
Het is op het moment wat guur in het Veen. Misschien is het wel guur in de rest van Nederland ook. Maar op een of andere manier heb ik het idee dat het in het Veen, ook op de zandspot in het Veen waar ik dagelijks fiets, ploeter en mij met allerhande zaken onledig houd (waarover in toekomstige berichten meer), extra guur is. Het is mij niet helemaal helder waar dit nu door komt. Een van de resultaten van de guurheid van en in het Veen is dat mijn gezichtshuid dagelijks zijn beklag doet in de vorm van trekkerigheid en een continue vraag om zorg en aandacht. Ik heb de afgelopen maanden mijn levensstijl goed in de gaten gehouden om erachter te komen of ik misschien nog wat verder kon snoeien in slechte gewoontes met betrekking tot vochtgebrek in de huid. Afgezien van het knagen van de tand des tijds kan men immers zelf een en andere vertraging in- en aanbrengen. Braaf dronk ik mijn water, gezeglijk dronk ik mijn kruidenthee. Ik reduceerde mijn koffieconsumptie nog wat verder. Roken deed ik al niet meer, en ook de drankconsumptie bleef behoorlijk binnen het door de dokter toegestane level, waarbij iedere unit drank netjes door een glas water vergezeld geconsumeerd werd. Ik keek of ik genoeg vitamines at, genoeg vezels, niet teveel vet, geen of weinig suiker, enzovoorts.
En toch. En toch bleef het trekken, zompen, kliederen geblazen. Als het regende, trok ik netjes mijn GoreTex jas aan - esthetiek is belangrijk, zeker, maar regen in het Veen is een ultiem geval van nood breekt wet: het klepje van mijn GoreTex capuchon behoedde mijn snuit voor nog ergere aanvallen van Grootse Guurheid. Keer op keer vertrok ik uit de Stad in de droogte, en arriveerde ik in het van nattigheid walmende en zompende Veen. Het verbaasde mij zelfs dat de Geelblauwe Rups verder kon - ik kreeg steeds meer waardering die laatste weken voor de NS, nog geen vierkant wiel gezien dit jaar (die dingen bestaan echt alleen in de Randstad, temidden van de rottende tulpenbollen, begin ik te denken). Ze konden steeds weer wegkomen uit die zuigende, kolkende veenmassa als ze erin waren beland. Zij wel. Ik vocht mij, stoempend en snotterend, trappend op mijn pedaaltjes dagelijks door het Veen van en naar het station. Ondertussen werd de roep van mijn precieuze appelwangen steeds sterker. Voed ons! Fiets wel, en werk ook, maar zie ook om! leken ze te roepen.
Op zekere zaterdag zag ik in dat het zo niet langer kon. Huisband en ik gingen even winkelen in de Stad, en Huisband moest nog even iets bij de bjoetiewinkel. Ik keek, zocht, en vond wat ik nodig had tegen de verveenlijking van mijn snoet: het sprookje van de Acht Getemporiseerde Anti-oxidanten. Een product in de reeks: wij zijn heel duur maar als je ons netjes gebruikt maken we je o zo gelukkig, gefabriceerd door en voor de Veen-Clinique. Iedere avond smeer ik nu 'hi-ho, hi-ho' neuriënd mijn gezicht voorzichtig in met dit goedje, en leg ik mij als een ware Cleopatra, armpjes devoot over de borst gekruist in de echtelijke sponde. Liever een farao dan een veenlijk. Welkom in de Veen-Clinique.
En toch. En toch bleef het trekken, zompen, kliederen geblazen. Als het regende, trok ik netjes mijn GoreTex jas aan - esthetiek is belangrijk, zeker, maar regen in het Veen is een ultiem geval van nood breekt wet: het klepje van mijn GoreTex capuchon behoedde mijn snuit voor nog ergere aanvallen van Grootse Guurheid. Keer op keer vertrok ik uit de Stad in de droogte, en arriveerde ik in het van nattigheid walmende en zompende Veen. Het verbaasde mij zelfs dat de Geelblauwe Rups verder kon - ik kreeg steeds meer waardering die laatste weken voor de NS, nog geen vierkant wiel gezien dit jaar (die dingen bestaan echt alleen in de Randstad, temidden van de rottende tulpenbollen, begin ik te denken). Ze konden steeds weer wegkomen uit die zuigende, kolkende veenmassa als ze erin waren beland. Zij wel. Ik vocht mij, stoempend en snotterend, trappend op mijn pedaaltjes dagelijks door het Veen van en naar het station. Ondertussen werd de roep van mijn precieuze appelwangen steeds sterker. Voed ons! Fiets wel, en werk ook, maar zie ook om! leken ze te roepen.
Op zekere zaterdag zag ik in dat het zo niet langer kon. Huisband en ik gingen even winkelen in de Stad, en Huisband moest nog even iets bij de bjoetiewinkel. Ik keek, zocht, en vond wat ik nodig had tegen de verveenlijking van mijn snoet: het sprookje van de Acht Getemporiseerde Anti-oxidanten. Een product in de reeks: wij zijn heel duur maar als je ons netjes gebruikt maken we je o zo gelukkig, gefabriceerd door en voor de Veen-Clinique. Iedere avond smeer ik nu 'hi-ho, hi-ho' neuriënd mijn gezicht voorzichtig in met dit goedje, en leg ik mij als een ware Cleopatra, armpjes devoot over de borst gekruist in de echtelijke sponde. Liever een farao dan een veenlijk. Welkom in de Veen-Clinique.
Abonneren op:
Posts (Atom)