maandag 30 november 2009

Hoe ik uit het veen ontsnapte (2)

Ik begon op mijn nieuwe station op een dinsdagmorgen. De zondagmiddag daarvoor had ik afscheid genomen van de blauwe zaal en van de schilderijen die me vanaf hun plaats aan de wand, met al hun flair en levenslust, wekenlang gezelschap hadden gehouden. 's Maandags sliep ik uit en dwaalde vervolgens wat verloren door mijn huis en door de stad. Alsof ik de dag erna niet op een nieuwe post, maar aan een geheel nieuwe baan zou beginnen.

Die eerste dag waren de foto's onbekenden voor me. Ze misten elk reliëf, weerkaatsten het zonlicht met hun glossy finish en gaven niets van zichzelf prijs aan mij. Ik nam niet de tijd de zaal rond te lopen om de kunstwerken te bekijken, bang dat de herinnering, het beeld van de schilderijen uit de blauwe zaal dan te snel zou vervagen.
Het publiek, dat zonder naar me op te kijken naar binnen wandelde, aanschouwde ik met argwaan. Wie waren deze mensen? Kwamen zij speciaal voor deze vlakke prenten naar het museum? Hadden zij hun ogen eerst de kost gegeven aan mijn schilderijen en kwamen zij slechts naar de derde verdieping om de tijd te doden? De liefhebber van fotografie was een ander slag dan de schilderkust aficionado, zo oordeelde ik. Minder hartelijk, minder flamboyant, luidruchtiger ook... Ze kwamen binnen en hadden vrijwel direct hun mening klaar, een mening die zij ook steeds hardop kenbaar maakten.
Tegen het middaguur voelde ik me eenzaam en teneergeslagen. Ik nam de lift naar de kantine in het souterain, kocht een broodje en een kom soep en schoof aan bij collega's aan de leestafel. De map met tijdschriften bood weinig dat mij kon boeien. Een Panorama, twee Libelles, een Nieuwe Revu, allemaal weken oud. Er werd wat gepraat en gelachen om mij heen, ik luisterde er maar met een half oor naar. Twee dames van de museumwinkel vertelden elkaar over kleinkinderen en een echtgenoot die – voor zover ik meekreeg – door Frankrijk toerde, mee in de Tour de France karavaan. Juist toen ik mijn soep op had en weer naar de koolzaadgele zaal zou teruggaan, schoof een oudere heer bij mij aan tafel. Hij knikte vriendelijk, wenste me 'goede bekomst' en sloeg de leesmap met een resoluut gebaar dicht.
"Zo", zei hij en knikte nogmaals. "De nieuwe man van de fotozaal."
Ik knikte ook. "Onderweg naar boven", zei ik en schoof mijn stoel naar achter om te gaan staan.
Plotseling boog de man naar voren, zijn gezicht vlak bij dat van mij.
"Heb je al een rondje gelopen...?" fluisterde hij. "Rondgelopen en goed gekeken?"
"Euhm, nog niet", stamelde ik.
De man ging weer rechtop zitten. Hij glimlachte. "Zou ik doen", zei hij en tikte een hardgekookt ei tegen de rand van zijn bord tot de schaal brak. "Zou ik zeker doen."
Ik ging staan, de lege soepkom in mijn handen. Ik verwachte dat hij nog iets ging zeggen maar hij bleef stil. Hij lachte alleen en begon met zorg zijn ei te pellen.
"Fijne middag", mompelde ik, draalde nog even en liep toen weg.

Op de derde verdieping was ik terug in de stilte. De liftdeuren sloten achter me en alleen mijn voetstappen weerklonken nog door de hoge hal. Ik was tevreden over het geluid van mijn schoenen. Ze hadden een heldere, effen klank.
Het licht in de gele zaal was anders van voor de lunch, viel me op. Ik keek omhoog naar de dakkoepel en zag dat er wolken voor de zon waren geschoven. Twee meeuwen dartelden om elkaar heen en verdwenen toen uit zicht. Ik was alleen.
Nu de zon niet langer ongehinderd naar binnenkwam om van de lijsten te weerkaatsen, leken de foto's me ineens uit te nodigen. Het geel van de wanden was zachter, de ruimte leek er kleiner, gemoedelijker door. Ik had nog geen rondje gelopen. (wie was die man?) Ik was de drempel niet overgestapt, was nauwelijks van mijn post in de deuropening geweest.
Met een zachte 'ting' liet de lift me weten dat ik niet langer alleen was. De deuren schoven open en een oudere dame in een mauve mantel stapte naar buiten. Ze keek om zich heen en stevende vervolgens mijn kant op.
"Jongeman!", zei ze toen ze halverwege de hal was. "Jongeman, de Chineze vasen, waar vind ik die?"
Ze boog voorover om langs mij heen de zaal in te kijken, fronste misprijzend haar wenkbrauwen en keek mij daarna dringen aan. Haar reactie, haar ongenoegen over wat ze zag, stoorde mij bijzonder. Nog voor ze daadwerkelijk iets gezien had, had ze haar mening al klaar.
"Beneden", zei ik, wat kortaf. "In het paviljoen."
De vrouw maakte een nuffig geluid, keerde zich op haar hielen om en liep weg.

Op pijnlijke wijze was ik zojuist op mijn eigen misvattingen gewezen. Ik had me geërgerd aan de vooringenomenheid van de oude dame maar realisserde me maar al te zeer dat ik precies zo was als zij. Ik had de prenten in de gele zaal geen blik waardig gegund.
Nog voor de liftdeuren zich achter de vrouw in de mauve mantel gesloten hadden, liep ik de zaal in. Door naar de ebbenhouten bank in het midden en bleef staan.
Mijn adem stokte.
Daar, recht voor me, hingen ze, de meisjes op het hunebed. Een straal zonlicht kroop langs de wolken en gleed over haar, een blote schouder, de eeuwenoude stenen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten