woensdag 30 december 2009

Waar gebeurt het?

Vanmorgen las ik in de geelblauwe rups een artikel in de Boekenbijlage van De Slijpsteen die ik vroeger ook had. Nu heb ik De Slijpsteen niet meer, en wie denkt dat ik een DVHN-adept ben geworden heeft het mis. Goed, DVHN klinkt als een hip kledingmerk, maar is dat niet. Het DVHN is de regionale krant hier in het Veen en omstreken. Daar voelde ik me dan toch net een tandje te goed voor, dus nu heb ik De Snobbenkrant, en lees ik in het Engels (dit om nakende hersenverweking tegen te gaan) berichtgeving over de EU, over internationale betrekkingen, over wereldwijde economie die mij meer leert over mijn eigen land (met als voorlopig hoogtepunt een artikel van een halve pagina over palingvisserij en het ontduiken van regelgeving door naar ik meen Marker palingvissers, compleet met interviews!) dan ik in de landelijke kranten ooit heb gelezen. Ik lees er meningen die uit alle windstreken komen, en niet alleen maar uit 's lands Westelijke polderstreken.

Maar vanmorgen had ik dus een kleine Wiedergutmachung met De Slijpsteen. In de bewuste boekenbijlage schreef Renate Dorrestein een bepaald niet onaardig opiniestuk over recensenten van romans, en dan met name over de verhouding van de waardering van ethiek en esthetiek in recensies: het een is per definitie vreemd en verwerpelijk, het ander is een welkom label om overal op te plakken als je het eigenlijk over het een zou moeten gaan hebben maar dit niet wilt of niet kunt. In dit artikel boende Dorrestein fijntjes de neuzen van het recensentenkorps, volgens haar helaas nog altijd bestaand uit een veel te homogene groep witte mannen van een bepaalde leeftijd woon- of werkachtig in Amsterdam, voor wie alles wat zich buiten de A10 afspeelt een eng en onbekend maar vooral ook totaal oninteressant en doods achterland is. En daar werd ik als nieuwe Buitenrandstedeling door getriggerd. Want ook toen ik in de Randstad woonde, ergerde ik mij er al een bult aan, die op vrijwel niets gebaseerde opvatting dat 'het' in Amsterdam gebeurt. Ja, het Muziekgebouw aan het IJ staat in Amsterdam, het Concertgebouw ook, de Stopera ook, en er staan een paar wereldberoemde musea in Amsterdam. En daar gebeuren inderdaad zeer fraaie dingen. Maar dat wil niet zeggen dat die niet ook elders gebeuren.

Mijn ergernis ebde weer weg, want ik dacht aan de Veenbewoners die goedmoedig zeggen wanneer je ze vertelt dat er hele volksstammen zijn die oprecht denken dat achter Utrecht Het Grote Bos begint dat nooit meer ophoudt: No, dan moet'n ze daor mar lekk'r blijv'n, ze kunn'n hier best 'ns wat koom'n bezichtig'n, as ze ok mar weer terug gaon...'. Bij het luisteren van de radio4daagse echter kwam mijn ergernis ineens weer naar boven. Want wat bleek nu tijdens de uitzending: mezzosopraan Christianne Stotijn (inderdaad niet de minste) was ten behoeve van een benefietconcert (haar gage ging naar een tropenarts geloof ik) he-le-maal naar de rand van de aarde afgereisd, ongetwijfeld een barre tocht die haar langs vele gevaren heeft gevoerd, om op te treden voor de inderhaast ter plekke verzamelde inboorlingen (jammer, dacht ik nog, dat Lévi-Strauss niet meer leeft, hij zou er ongetwijfeld een mooi verhaal van hebben kunnen maken). Een heldendaad: haar wedervaren werd welhaast hagiografisch beschreven, als betrof het een herleving van Bonifatius' goede werken. Stotijn werd alom geroemd door de presentator, deze keer niet om haar inderdaad grote muzikale talent, neen neen, maar om haar wens beschaving te brengen in de Donkere Gebieden, en al dat fraais ook nog eens pro bono!

En waar gebeurde dit, lieve lezer, welke stam van wiens holebeer werd daar door goddelijke klank verlicht? Houd u vast, het ging om het volgens de presentator (en ja, dit zei hij echt) volslagen onbekende plaatsje Oldeberkoop. Nu kan ik mij levendig voorstellen dat niet iedereen jaarlijks op bedevaart gaat naar Oldeberkoop (al kun je er dus kennelijk prachtige concerten van Christianne Stotijn horen), maar iedereen die wel eens via de A7 van Amsterdam (Zoals men in Rotterdam zegt: 'Waar lèg dat dan?') naar Groningen is gereden heeft op zijn minst een afslag Oldeberkoop zien staan bij Heerenveen in de buurt. Uw reporter spotte hem laatst nog middenin de nacht, dus helemaal onzichtbaar kan hij niet zijn.

Om in de sfeer van Renate Dorrestein te blijven: de moraal van dit verhaal luidt: bent u ook zo'n Amsterdamse provinciaal? Kijk in 2010 eens wat verder over de ring-A10, misschien ontdekt u dat er nog 15,5 miljoen mensen in dit zompig landje wonen.

zaterdag 5 december 2009

Het Veen on Tour

Wie denkt dat je uit het Veen wegkomt door 8 uur in een geelblauwe dan wel roodgrijze rups te kruipen vergist zich. Zelfs wanneer je als would be refugee in Metropool B. aankomt om er over De Toekomst van je Business te praten is het Veen dichterbij dan je denkt. Er zijn overigens vervelender plaatsen om over een dermate interessant en inspirerend onderwerp te praten dan Metropool B, stad van oude en nieuwe business, stad van historie en toekomst, stad van omzien in verwondering, ontroerd raken door het heden, en, geloof het of niet, met groeiende verwachting en beginnend reikhalzen naar de toekomst willen kijken.

Met andere woorden, B. is een uitstekende plaats om eens te reflecteren over De Toekomst van je Business. En daarmee ook over De Toekomst van Het Veen. Het Veen dat, als we de legendes mogen geloven, wezens voortbrengt die in staat zijn zich uit hun eigen as te herscheppen. Het Veen dat zich al meer dan 200 jaar min of meer genoeglijk koestert in de wetenschap dat het, zompend als het is, uitstekend in staat is om een status quo tot in lengten van dagen te conserveren. Een bezoek aan het eveneens legendarische Butter Museum in de Ierse havenstad C. leert ons dat de Ieren eeuwen geleden terug al heel goed wisten dat je boter prima kunt conserveren in... precies: Veen. Je stopte de boter in een houten vat, groef het in in het Veen, en hoppekee, een kleine 1000 jaar later kunnen we het halfvermolmde vaatje nog altijd aanschouwen in het betreffende museum.

Welnu, in metropool B. constateerden geheim agenten TT en R2 eenzelfde situatie: als je maar glad genoeg bent en je hebt iets met Veen, blijf je veel langer in shape dan iedereen denkt. Het eerste echt in het oog springende aanplakbiljet in deze van cultuuruitingen kolkende stad, was het postertje dat de glimmende (want met restanten van een lokale boterberg ingevette?) halfkale schedel toonde van een Nederlandse, bij onze Oosterburen mateloos populaire volksclown, bij ons inmiddels bekend als self-confessed politiek specialist. De vedel vlijtig onder de kin geklemd, compleet met stereotiepe rode dopneus, fronsrimpels en min of meer oprecht overkomende knipperwimpers stond hij daar op het inmiddels voor de helft overplakte postertje. Na al die jaren, in weerwil van knettergekke kritieken, nog altijd onderweg. We werden toch wel even door nationale trots overvallen. JPB gaat weliswaar niet naar Brussel, maar wel kregen we een herbenoeming voor Good Old Neelie K. (You rock! Go woman!), het hoogste aantal buitenlandse deelnemers aan de Online Educa conferentie, en ook wordt deze inmiddels in Nederland bedreigde diersoort, nog steeds zonder vrees aangekondigd in uitgerekend metropool B., ooit de gedroomde hoofdstad van een nimmer eindigend rijk. (Je zou qua conservatiegraad blij worden dat die stad niet op veengrond gebouwd is...)

Het was een voorbeeld van Het Veen op zijn (re)tour vermoed ik. Daarnaast was het overigens ook wel een erg vertrouwd gezicht. Ik ben vandaag zo vrolijk, zo vrolijk, zo vrolijk...

maandag 30 november 2009

Folklore, de Drentse Veeniks


De oude Drenten geloofden dat de Veeniks in staat was steeds weer opnieuw uit zijn eigen as herboren te worden. Hij zou in het veen van kopij een nest maken en daarin verbranden. Door de geur van de brandende kopij werd hij opnieuw geboren. In de Drentse cultuur staat het dier symbool voor de vrouwelijke redacteuren van de wereld.

De oud Drentse dichter Gezinius Johannes schreef in 2011 in een gedicht dat de Veeniks geen zaden en grassen eet, maar het sap van sompige turf gebruikt als levensmiddel. Na vijfhonderd jaar gewerkt te hebben zou de Veeniks laag in het mos een nest van xml, kopij en mirre maken. Als hij erin zat vloog het in brand. De geur van de brand neemt de ziel van de oude Veeniks mee. Het lichaam verbrande en er kwam een kleine Veeniks uit. Hierin nam de oude ziel opnieuw plaats om weer 500 jaar kopij te verwerken.

Historici geloven dat de legende van de Veeniks ontstaan is rond het jaar 2009, toen een groep vrouwelijke redacteuren door de Drentse venen dwaalde, wanhopig op zoek naar goede kopij. Zij zouden steeds opnieuw branden hebben gesticht om hun smeekbedes kracht bij te zetten. Hoe het met de dwalende redacteuren is afgelopen, vertelt de overleving ons niet.

Hoe ik uit het veen ontsnapte (2)

Ik begon op mijn nieuwe station op een dinsdagmorgen. De zondagmiddag daarvoor had ik afscheid genomen van de blauwe zaal en van de schilderijen die me vanaf hun plaats aan de wand, met al hun flair en levenslust, wekenlang gezelschap hadden gehouden. 's Maandags sliep ik uit en dwaalde vervolgens wat verloren door mijn huis en door de stad. Alsof ik de dag erna niet op een nieuwe post, maar aan een geheel nieuwe baan zou beginnen.

Die eerste dag waren de foto's onbekenden voor me. Ze misten elk reliëf, weerkaatsten het zonlicht met hun glossy finish en gaven niets van zichzelf prijs aan mij. Ik nam niet de tijd de zaal rond te lopen om de kunstwerken te bekijken, bang dat de herinnering, het beeld van de schilderijen uit de blauwe zaal dan te snel zou vervagen.
Het publiek, dat zonder naar me op te kijken naar binnen wandelde, aanschouwde ik met argwaan. Wie waren deze mensen? Kwamen zij speciaal voor deze vlakke prenten naar het museum? Hadden zij hun ogen eerst de kost gegeven aan mijn schilderijen en kwamen zij slechts naar de derde verdieping om de tijd te doden? De liefhebber van fotografie was een ander slag dan de schilderkust aficionado, zo oordeelde ik. Minder hartelijk, minder flamboyant, luidruchtiger ook... Ze kwamen binnen en hadden vrijwel direct hun mening klaar, een mening die zij ook steeds hardop kenbaar maakten.
Tegen het middaguur voelde ik me eenzaam en teneergeslagen. Ik nam de lift naar de kantine in het souterain, kocht een broodje en een kom soep en schoof aan bij collega's aan de leestafel. De map met tijdschriften bood weinig dat mij kon boeien. Een Panorama, twee Libelles, een Nieuwe Revu, allemaal weken oud. Er werd wat gepraat en gelachen om mij heen, ik luisterde er maar met een half oor naar. Twee dames van de museumwinkel vertelden elkaar over kleinkinderen en een echtgenoot die – voor zover ik meekreeg – door Frankrijk toerde, mee in de Tour de France karavaan. Juist toen ik mijn soep op had en weer naar de koolzaadgele zaal zou teruggaan, schoof een oudere heer bij mij aan tafel. Hij knikte vriendelijk, wenste me 'goede bekomst' en sloeg de leesmap met een resoluut gebaar dicht.
"Zo", zei hij en knikte nogmaals. "De nieuwe man van de fotozaal."
Ik knikte ook. "Onderweg naar boven", zei ik en schoof mijn stoel naar achter om te gaan staan.
Plotseling boog de man naar voren, zijn gezicht vlak bij dat van mij.
"Heb je al een rondje gelopen...?" fluisterde hij. "Rondgelopen en goed gekeken?"
"Euhm, nog niet", stamelde ik.
De man ging weer rechtop zitten. Hij glimlachte. "Zou ik doen", zei hij en tikte een hardgekookt ei tegen de rand van zijn bord tot de schaal brak. "Zou ik zeker doen."
Ik ging staan, de lege soepkom in mijn handen. Ik verwachte dat hij nog iets ging zeggen maar hij bleef stil. Hij lachte alleen en begon met zorg zijn ei te pellen.
"Fijne middag", mompelde ik, draalde nog even en liep toen weg.

Op de derde verdieping was ik terug in de stilte. De liftdeuren sloten achter me en alleen mijn voetstappen weerklonken nog door de hoge hal. Ik was tevreden over het geluid van mijn schoenen. Ze hadden een heldere, effen klank.
Het licht in de gele zaal was anders van voor de lunch, viel me op. Ik keek omhoog naar de dakkoepel en zag dat er wolken voor de zon waren geschoven. Twee meeuwen dartelden om elkaar heen en verdwenen toen uit zicht. Ik was alleen.
Nu de zon niet langer ongehinderd naar binnenkwam om van de lijsten te weerkaatsen, leken de foto's me ineens uit te nodigen. Het geel van de wanden was zachter, de ruimte leek er kleiner, gemoedelijker door. Ik had nog geen rondje gelopen. (wie was die man?) Ik was de drempel niet overgestapt, was nauwelijks van mijn post in de deuropening geweest.
Met een zachte 'ting' liet de lift me weten dat ik niet langer alleen was. De deuren schoven open en een oudere dame in een mauve mantel stapte naar buiten. Ze keek om zich heen en stevende vervolgens mijn kant op.
"Jongeman!", zei ze toen ze halverwege de hal was. "Jongeman, de Chineze vasen, waar vind ik die?"
Ze boog voorover om langs mij heen de zaal in te kijken, fronste misprijzend haar wenkbrauwen en keek mij daarna dringen aan. Haar reactie, haar ongenoegen over wat ze zag, stoorde mij bijzonder. Nog voor ze daadwerkelijk iets gezien had, had ze haar mening al klaar.
"Beneden", zei ik, wat kortaf. "In het paviljoen."
De vrouw maakte een nuffig geluid, keerde zich op haar hielen om en liep weg.

Op pijnlijke wijze was ik zojuist op mijn eigen misvattingen gewezen. Ik had me geërgerd aan de vooringenomenheid van de oude dame maar realisserde me maar al te zeer dat ik precies zo was als zij. Ik had de prenten in de gele zaal geen blik waardig gegund.
Nog voor de liftdeuren zich achter de vrouw in de mauve mantel gesloten hadden, liep ik de zaal in. Door naar de ebbenhouten bank in het midden en bleef staan.
Mijn adem stokte.
Daar, recht voor me, hingen ze, de meisjes op het hunebed. Een straal zonlicht kroop langs de wolken en gleed over haar, een blote schouder, de eeuwenoude stenen.

vrijdag 27 november 2009

De Veen-Clinique

Het is op het moment wat guur in het Veen. Misschien is het wel guur in de rest van Nederland ook. Maar op een of andere manier heb ik het idee dat het in het Veen, ook op de zandspot in het Veen waar ik dagelijks fiets, ploeter en mij met allerhande zaken onledig houd (waarover in toekomstige berichten meer), extra guur is. Het is mij niet helemaal helder waar dit nu door komt. Een van de resultaten van de guurheid van en in het Veen is dat mijn gezichtshuid dagelijks zijn beklag doet in de vorm van trekkerigheid en een continue vraag om zorg en aandacht. Ik heb de afgelopen maanden mijn levensstijl goed in de gaten gehouden om erachter te komen of ik misschien nog wat verder kon snoeien in slechte gewoontes met betrekking tot vochtgebrek in de huid. Afgezien van het knagen van de tand des tijds kan men immers zelf een en andere vertraging in- en aanbrengen. Braaf dronk ik mijn water, gezeglijk dronk ik mijn kruidenthee. Ik reduceerde mijn koffieconsumptie nog wat verder. Roken deed ik al niet meer, en ook de drankconsumptie bleef behoorlijk binnen het door de dokter toegestane level, waarbij iedere unit drank netjes door een glas water vergezeld geconsumeerd werd. Ik keek of ik genoeg vitamines at, genoeg vezels, niet teveel vet, geen of weinig suiker, enzovoorts.

En toch. En toch bleef het trekken, zompen, kliederen geblazen. Als het regende, trok ik netjes mijn GoreTex jas aan - esthetiek is belangrijk, zeker, maar regen in het Veen is een ultiem geval van nood breekt wet: het klepje van mijn GoreTex capuchon behoedde mijn snuit voor nog ergere aanvallen van Grootse Guurheid. Keer op keer vertrok ik uit de Stad in de droogte, en arriveerde ik in het van nattigheid walmende en zompende Veen. Het verbaasde mij zelfs dat de Geelblauwe Rups verder kon - ik kreeg steeds meer waardering die laatste weken voor de NS, nog geen vierkant wiel gezien dit jaar (die dingen bestaan echt alleen in de Randstad, temidden van de rottende tulpenbollen, begin ik te denken). Ze konden steeds weer wegkomen uit die zuigende, kolkende veenmassa als ze erin waren beland. Zij wel. Ik vocht mij, stoempend en snotterend, trappend op mijn pedaaltjes dagelijks door het Veen van en naar het station. Ondertussen werd de roep van mijn precieuze appelwangen steeds sterker. Voed ons! Fiets wel, en werk ook, maar zie ook om! leken ze te roepen.

Op zekere zaterdag zag ik in dat het zo niet langer kon. Huisband en ik gingen even winkelen in de Stad, en Huisband moest nog even iets bij de bjoetiewinkel. Ik keek, zocht, en vond wat ik nodig had tegen de verveenlijking van mijn snoet: het sprookje van de Acht Getemporiseerde Anti-oxidanten. Een product in de reeks: wij zijn heel duur maar als je ons netjes gebruikt maken we je o zo gelukkig, gefabriceerd door en voor de Veen-Clinique. Iedere avond smeer ik nu 'hi-ho, hi-ho' neuriënd mijn gezicht voorzichtig in met dit goedje, en leg ik mij als een ware Cleopatra, armpjes devoot over de borst gekruist in de echtelijke sponde. Liever een farao dan een veenlijk. Welkom in de Veen-Clinique.

zaterdag 21 november 2009

Hera's Hekwerk

Het gebeurde een paar dagen geleden. Ik was de avond tevoren met de Geelblauwe Rups aan het Veen ontsnapt. Dat was intentioneel, want business driven. In gewone mensentaal betekent dit dat ik een aantal afspraken had in een ander deel van onze dichtbevolkte rivierdelta. Om die reden bracht ik ettelijke uren in mijn beste vriend, de Geelblauwe Rups, door. Helaas was ik wat aan de late kant, dus kon ik in the Home of the TT geen lekkere koffie of thee meer kopen - geloof het of niet, maar the Home of the TT heeft een geweldige Douwe Egberts koffiecounter met zeer lekkere koffie en thee. Deze koffiecounter is dan ook erg populair dus je moet op tijd zijn als je nog iets wilt kopen. Voor degenen die maar net op tijd zijn, zijn er gelukkig ook nog andere opties. De altoos bijna overvriendelijke bediende van de AH ToGo (men is in het Veen als voormalige Brabant- en Randstadbewoner standaard wat achterdochtig, je weet nooit, direct duwen ze je het veen in om je er nooit meer uit te halen), wenste mij toen ik snelsnel een karnemelk en een appel kocht (standaarduitrusting, soms vergezeld van een sandwich of zakje Autodrop, bij -vooralsnog- ontstentenis van de Echte Auto) een Heel Fijne Reis. De conducteur die langskwam keek met nauw verholen jaloezie naar mijn OV (de beste man zit de godganse dag op de trein, maar toch, enig 'toe maar, dat doet maar' was van zijn gezicht te lezen) en mummelde recalcitrant dat ik het stukje plastic eigenlijk uit het vakje moest halen wanneer ik controle kreeg. Ik nam quasi onderkoeld een slok karnemelk, likte mijn hierdoor ontstane snor af, en het blauwbepette heerschap droop af.

Ik vervolgde mijn reis naar Het Zuiden, stapte over in De Spoorcentrale, stapte over in het Mekka van de Chocobollen, en toen kwam het in een eerste flits al langs. Ik negeerde het teken, bracht de avond en nacht bij mijn lieve zuster in de Moderne Industriestad door, en meldde mij de volgende ochtend weer bij de Geelblauwe Rups. Ik had een aantal afspraken in het Mekka van de Chocobollen. Terwijl de Geelblauwe Rups de Moderne Industriestad uitkachelde, zag ik het weer. En deze keer was het licht en reed ik langzaam genoeg om het in zijn volheid tot mij door te laten dringen. Langs een voetbalveld werd reclame gemaakt. Niet zo maar reclame. Het bord beweerde dat het om een aannemersbedrijf ging, maar ik wist wel beter. Op het reclamebord stond de volgende boodschap: 'Ik koos Kluytmans'. Ik had meteen medelijden met de arme auteur van de geadverteerde roman. O, wreedheid der foutieve interpunctie. Er had natuurlijk moeten staan: 'Ik, Koos Kluytmans'. De provinciale variant van de grootstedelijke bon-vivant, zou men nu in Amsterdam schrijven, maar zo eenvoudig ligt dat natuurlijk niet. Het leven van Koos Kluytmans trok op die vroege donderdagochtend aan mijn geestesoog voorbij. Geboren in een katholiek gezin, drie broers, vier zussen ('eigenlijk vijf, want onze Mietje telde voor twee'). Ontdekte op zijn tiende de sigaretten, krap twee jaar daarna de joints, de meiskes en de bruine beugelfleskes, en stond allengs, graffittibus strak in de knuist geklemd, de vele vierkante meters brutalistisch beton van de Moderne Industriestad met zijn creaturen te overladen. Dat ging jaren goed in een katholiek geïnspireerde gedoogcultuur (as gij nou mar efkes mej die en die gaot praote, dan heurde gij d'r niks mir van...), maar op zeker moment had de Sterke Arm der Wet de arme Koos te pakken. Na jaren van onderzoeken, psychoses, meer creatie en prachtige kunst, een liaison met het achternichtje van Frans Bauer (een mens doet soms dingen, en het lieve kind beweerde bij hoog en laag dat ze een Mariaverschijning had gezien) kwam Koos vele illusies armer, maar ook veel sterker uit zijn persoonlijke strijd. En hij liet een ghost writer een roman schrijven. Zelf wilde hij nog steeds alleen maar met die verfbussen aan de slag, en dat schreef zo onhandig. Na bijna een contract gekregen te hebben bij De Nieuw Amsterdam (het ketste af omdat Heleen van Royen jaloers werd op het betreffende achternichtje) gaf hij de roman in eigen beheer uit, en liet hij zijn buurman de marketingcampagne opzetten. En zo is het gekomen.

Het verhaal van Koos Kluytmans is er één uit velen. Dat realiseerde ik mij pas toen ik, bij het verlaten van de Geelblauwe Rups in het Mekka van de Chocobollen opkeek, en na enige meters lopen een volgende romantitel geadverteerd zag staan. Dat het bestaan van dit boek pas na 25 jaar (want geloof me, ik ben veel vaker langs precies eendere marketing-uitingen gelopen zonder er acht op te slaan) tot mij doordrong ligt misschien aan mijzelf, maar het leed van de auteur (een anonymus m/v ditmaals) is er ongetwijfeld niet minder om. Ik ben sindsdien op zoek naar dit boek. Het heet 'Hera's Hekwerk', en ik heb redenen om aan te nemen dat het een feministische roman over de Klassieke Oudheid is. Ik heb Fay Weldon, Toni Morrisson en Germaine Greer al gebeld, die konden mij niet verder helpen. Wie mij kan tippen over waar ik deze roman kan vinden is welkom. De conclusie van deze geschiedenis moet echter luiden: wie gelezen wil worden, laat zijn werk niet adverteren aan voetbalvelden of op metalen omheiningen. Dan bestaat je publiek hooguit uit hen die uit het Veen ontsnapt zijn. Een twijfelachtige eer, maar anderzijds, om maar eens met Reve te spreken: gezien is niet onopgemerkt gebleven.

donderdag 19 november 2009

Hoe ik uit het veen ontsnapte

Kom, kom wat dichterbij... ik wil u iets vertellen. Het verhaal over hoe ik ternauwernood uit het veen ontsnapte. U denkt wellicht dat ik een loopje met u neem, maar niets is minder waar.
Veen is een natte, zuurstofarme en sponsachtige grondsoort. Een grondsoort omringt met mythen en legendes, en vergis u niet, eenmaal in de greep van deze verradelijke substantie is er voor velen geen weg meer terug.
Eer u verder leest, voor u zich laat meeslepen in dit wonderlijk relaas, moet mij iets van het hart. Een bekentenis, zo u wilt, die ik u verschuldigd ben. Ik ben die dag aan de dood ontsnapt. En die gedachte vervult mij met een groot schuldgevoel. Hoevelen voor mij volgden hetzelfde spoor en vonden nimmer hun weg meer terug?


Ik werkte die zomer als suppoost in het Groninger Museum. Mijn studie had ik zojuist afgerond en de wereld, zo leek mij, lag aan mijn voeten. Mijn toekomst een onbeschreven blad. Grote verwondering en rusteloosheid bekropen mij zodra ik mijn gedachten de vrije loop liet.
Mijn baan als suppoost had ik vooral te danken aan mijn postuur. Mijn vader en grootvader waren grote mannen, ik stak vanaf mijn zestiende al met kop en schouders boven hen uit.

De dame van facilitaire zaken van het museum had bij het doorgeven van haar bestelling – er werden die week drie uniformen, een waterkoker en een half dozijn nietmachines besteld – het formulier met wel zeer besliste hand ingevuld. De kleermaker op zijn beurt kon niet anders dan concluderen dat de ferme X die de confectiemaat markeerde, betekende dat de maat XL gevraagd werd. Het verzoek verwonderde hem enigsinds, maat L was immers voor de meeste mannen al aan de ruime kant. Maar, zo besloot hij, het was niet aan hem de wensen van zijn klant in twijfel te trekken.

Het uniform zat mij verre van gegoten, het was eigenlijk wat aan de krappe kant. Maar na tientallen gesprekken met kandidaten bij wie de mouwen ver over de handen hingen en het kruis tussen de knieen, werd ik zonder verdere formuliteiten aangenomen.
Met een walkie talkie aan mijn broekriem en een pet op mijn hoofd stond ik uren aaneen in de deuropening van een grote blauwe zaal en bestuurde de mensen en schilderijen om mij heen. Ik telde parelsnoeren, lakleren loafers en verveelde echtgenoten. Ik bedacht namen en levens en geheimen voor de bezoekers die langs mij schuivelden, voelde me één worden met de prenten die mij omringden. Na drie weken werd er een nieuw rooster in de kantine opgehangen en verhuisde ik naar een nieuwe deuropening. De muren waren hier koozaadgeel en boden plaats aan een kleine collectie fascinerende foto's. Eén print in het bijzonder trok mijn aandacht. Een groot en robuust hunebed vulde het beeld, met daarop gezeten vijf beeldschone vrouwen. Stralend en vol vrolijke ondeugd. Ik kon mijn ogen er niet van af houden.

donderdag 12 november 2009

Groet’n uut ’t veen Literaire Top 10

Komt een vrouw bij het veen
Kluun

Mannen die venen haten
Stieg Larsson

Veen is zeg maar echt mijn ding
Paulien Cornelisse

De eenzaamheid van de veengetallen
Paolo Giordano

Duizend schitterende venen
Khaled Hosseini

Midzomer veendroom
Shakespeare

Het veen der verwachting
Hella S. Haasse

Harry Potter en het veen der wijzen
J. K. Rowling

Veentocht in spijkerbroek
Thea Beckman

De genezende kracht van veen
Gail Anderson-Dragatz

maandag 9 november 2009

Train in Vain

Het is interessant hoe je staand of zittend in de geelblauwe rups tot vreemde associaties kunt komen. Vanmiddag had ik een afspraak gepland in Stad, aan het einde van de middag, zodat ik daarna meteen door kon naar het Martelhonk voor een Boddiekombet, dat is boksen op muziek en er niet over nadenken dat je je als een malloot staat uit te sloven voor een gillend afgetraind meisje, dat je dwingt om nog harder met je knuistjes in het luchtledige te slaan en je daarbij trakteert op indigestie bevorderende muziek. We doen het voor de esthetiek, denk ik altijd maar.

Enfin, ik in de rups van Veen naar Stad. Ik telefoneerde met een vriendje. En ineens gebeurde het weer. In de Drentse Aa bevindt zich een Funkloch ter grootte van een buitenwijk van Almere, waar geen bereik meer is. Je zou denken dat in de moderne tijd dit niet meer zou voorkomen in het zo dichtbevolkte Nederland (afgelopen zomer kon ik in het zomerverblijf van een ander vriendje in Kootwijk prima telefoneren. Waar?! Precies.), maar het is zo. Middenin een belangrijke volzin ter hoogte van de derde bijzin van links was mijn gesprek weg. Om het plaatje compleet te maken begon de trein in een heerlijk comfortabel tempo voort te dabberen door het prachtig bemiste Drentse platteland. Ook kwam de conducteur langs, louche grinnikend: 'Jaaa, je had je verborgen jaaa, maar ik weet je wel te vinden jaaa.' De minuten tikten verder, en ik zou mijn afspraak op zich nog wel net kunnen redden, mits ik in Stad even snel zou fietsen. Maar toen reed ik daar dus, terwijl de Geelblauwe Rups zich gemoedelijk door het landschap sopte. Een Train in Vain, dacht ik ineens. En daarna dacht ik: waarom denk ik regelmatig aan popnummers en dan nog wel van (bijvoorbeeld) The Clash als ik me in zo'n situatie bevind? Het andere treffende voorbeeld van een Clash-o-ciation zijn de recepties op congressen in de USA waar je één bonnetje krijgt en de rest van je drankjes zelf moet betalen (ja, en Nederlanders noemen ze dan zuinig - overigens bestaan de 'light refreshments' bij zo'n receptie niet zelden uit een hoog opgetast koud en warm buffet dat voor 50% onopgegeten in de afvalbak verdwijnt, dus daar gaat het geld dat je van te voren betaald hebt dan vermoedelijk heen), waar ik als enige uitbarstte in een luid 'Rock the cash bar, rock the cash bar'. Dit totdat de beveiligingsbeambten mij begonnen te verdenken van Verkeerde Sympathieën en ik wijselijk maar ophield met zingen.

Geloof het of niet, maar de rups knabbelde zich kranig door de Aa heen en eindigde weliswaar wat verlaat maar toch netjes op het station van The Capital of the North. Ik spoedde mij naar mijn fiets en schudde behendig aan het moderne handige bovenrek. En daar kwam mijn fiets omlaaggezeild, als een metalen eenhoorn uit de met kil licht beschenen kraters van de semi-ondergrondse fietsenstalling (deze fietsenstalling is gemaakt voor als de film Independence Day werkelijkheid wordt, maar daarover later meer). En toen kwam de echte Clash. De veiligheidspalletjes, die mijn fiets op zijn plek hadden zullen houden, waren zo verontwaardigd over zoveel snelheid en haast ineens dat ze het vaartuig behendig op mijn rechterknie lieten landen. En daar zat ik dan met een grimas van pijn bij mijn afspraak, en ik miste mijn boksen op muziek-les omdat ik niet hard genoeg kon fietsen naar het Martelhonk. De 20 minuten treadmill en de 40 straf-situps konden het ook niet meer verhelpen: mijn humeur was naar de knoppen. Totdat ik The Clash opzocht op YouTube (http://www.youtube.com/watch?v=oIx7k2gYT1I) en vertederd keek naar de kuiven, de side beards, de gitaren met dikke snoeren. Morgen toch maar weer lekker met de Train in Vain...

zondag 8 november 2009

Groet'n uut 't veen

Om te beginnen is de naam van deze blog niet helemaal juist. U krijgt van mij wel de groeten, maar ik bevind mij namelijk op het moment niet in het veen. Ik bevind mij eigenlijk nooit in het veen in letterlijke zin. Maar wel in figuurlijke. Iedere doordeweekse ochtend rijd ik (en velen met mij) met 120 kilometer per uur in een geelblauwe rups het veen in. De titel is een variatie op een songtekst van de popkunstenaar Powergozer, die met de co-productie met Entropius 'Ik woon in het bos, ik woon niet in de stad' (http://www.youtube.com/watch?gl=US&v=N1K2r2nuKks) mij op het idee voor deze blog bracht. 'Ik woon in de stad, ik werk in het veen'. En werken, daar gaat een redelijk groot deel van in ieder geval mijn tijd heen. Vandaar de Groet'n uut 't veen dus. Een geoloog zou mij nu ongetijfeld kunnen corrigeren, ik rijd met de Gezellige Geelblauwe Rups namelijk de strook land in die naast Het Veen ligt. Maar pour besoin de la cause is het echt beter dat deze blog de naam Groet'n uut 't veen krijgt. Daar komt u als lezer nog wel achter. Los hiervan: als twee dinky's in de Zuidhollandse suburbia beneden NAP hun blog heel vooruitziend 'gemodder in de marge' durven te noemen -zijn jullie al overstroomd, dames?-, dan kunnen wij hier ook wel grondsoorten in titels gaan gebruiken. De blog zal gaan over de Grote Tegenstellingen in het Noorden. Het Zand versus Het Veen dus. Stad (niet de Stad, maar Stad) versus de Ommelanden. Dynamiek versus Verstening. Ontspanning versus Gejaagdheid. The Capital of the North versus The Home of the TT. Groet'n uut 't veen dus. Veel leesplezier.