donderdag 19 november 2009

Hoe ik uit het veen ontsnapte

Kom, kom wat dichterbij... ik wil u iets vertellen. Het verhaal over hoe ik ternauwernood uit het veen ontsnapte. U denkt wellicht dat ik een loopje met u neem, maar niets is minder waar.
Veen is een natte, zuurstofarme en sponsachtige grondsoort. Een grondsoort omringt met mythen en legendes, en vergis u niet, eenmaal in de greep van deze verradelijke substantie is er voor velen geen weg meer terug.
Eer u verder leest, voor u zich laat meeslepen in dit wonderlijk relaas, moet mij iets van het hart. Een bekentenis, zo u wilt, die ik u verschuldigd ben. Ik ben die dag aan de dood ontsnapt. En die gedachte vervult mij met een groot schuldgevoel. Hoevelen voor mij volgden hetzelfde spoor en vonden nimmer hun weg meer terug?


Ik werkte die zomer als suppoost in het Groninger Museum. Mijn studie had ik zojuist afgerond en de wereld, zo leek mij, lag aan mijn voeten. Mijn toekomst een onbeschreven blad. Grote verwondering en rusteloosheid bekropen mij zodra ik mijn gedachten de vrije loop liet.
Mijn baan als suppoost had ik vooral te danken aan mijn postuur. Mijn vader en grootvader waren grote mannen, ik stak vanaf mijn zestiende al met kop en schouders boven hen uit.

De dame van facilitaire zaken van het museum had bij het doorgeven van haar bestelling – er werden die week drie uniformen, een waterkoker en een half dozijn nietmachines besteld – het formulier met wel zeer besliste hand ingevuld. De kleermaker op zijn beurt kon niet anders dan concluderen dat de ferme X die de confectiemaat markeerde, betekende dat de maat XL gevraagd werd. Het verzoek verwonderde hem enigsinds, maat L was immers voor de meeste mannen al aan de ruime kant. Maar, zo besloot hij, het was niet aan hem de wensen van zijn klant in twijfel te trekken.

Het uniform zat mij verre van gegoten, het was eigenlijk wat aan de krappe kant. Maar na tientallen gesprekken met kandidaten bij wie de mouwen ver over de handen hingen en het kruis tussen de knieen, werd ik zonder verdere formuliteiten aangenomen.
Met een walkie talkie aan mijn broekriem en een pet op mijn hoofd stond ik uren aaneen in de deuropening van een grote blauwe zaal en bestuurde de mensen en schilderijen om mij heen. Ik telde parelsnoeren, lakleren loafers en verveelde echtgenoten. Ik bedacht namen en levens en geheimen voor de bezoekers die langs mij schuivelden, voelde me één worden met de prenten die mij omringden. Na drie weken werd er een nieuw rooster in de kantine opgehangen en verhuisde ik naar een nieuwe deuropening. De muren waren hier koozaadgeel en boden plaats aan een kleine collectie fascinerende foto's. Eén print in het bijzonder trok mijn aandacht. Een groot en robuust hunebed vulde het beeld, met daarop gezeten vijf beeldschone vrouwen. Stralend en vol vrolijke ondeugd. Ik kon mijn ogen er niet van af houden.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten