zaterdag 21 november 2009

Hera's Hekwerk

Het gebeurde een paar dagen geleden. Ik was de avond tevoren met de Geelblauwe Rups aan het Veen ontsnapt. Dat was intentioneel, want business driven. In gewone mensentaal betekent dit dat ik een aantal afspraken had in een ander deel van onze dichtbevolkte rivierdelta. Om die reden bracht ik ettelijke uren in mijn beste vriend, de Geelblauwe Rups, door. Helaas was ik wat aan de late kant, dus kon ik in the Home of the TT geen lekkere koffie of thee meer kopen - geloof het of niet, maar the Home of the TT heeft een geweldige Douwe Egberts koffiecounter met zeer lekkere koffie en thee. Deze koffiecounter is dan ook erg populair dus je moet op tijd zijn als je nog iets wilt kopen. Voor degenen die maar net op tijd zijn, zijn er gelukkig ook nog andere opties. De altoos bijna overvriendelijke bediende van de AH ToGo (men is in het Veen als voormalige Brabant- en Randstadbewoner standaard wat achterdochtig, je weet nooit, direct duwen ze je het veen in om je er nooit meer uit te halen), wenste mij toen ik snelsnel een karnemelk en een appel kocht (standaarduitrusting, soms vergezeld van een sandwich of zakje Autodrop, bij -vooralsnog- ontstentenis van de Echte Auto) een Heel Fijne Reis. De conducteur die langskwam keek met nauw verholen jaloezie naar mijn OV (de beste man zit de godganse dag op de trein, maar toch, enig 'toe maar, dat doet maar' was van zijn gezicht te lezen) en mummelde recalcitrant dat ik het stukje plastic eigenlijk uit het vakje moest halen wanneer ik controle kreeg. Ik nam quasi onderkoeld een slok karnemelk, likte mijn hierdoor ontstane snor af, en het blauwbepette heerschap droop af.

Ik vervolgde mijn reis naar Het Zuiden, stapte over in De Spoorcentrale, stapte over in het Mekka van de Chocobollen, en toen kwam het in een eerste flits al langs. Ik negeerde het teken, bracht de avond en nacht bij mijn lieve zuster in de Moderne Industriestad door, en meldde mij de volgende ochtend weer bij de Geelblauwe Rups. Ik had een aantal afspraken in het Mekka van de Chocobollen. Terwijl de Geelblauwe Rups de Moderne Industriestad uitkachelde, zag ik het weer. En deze keer was het licht en reed ik langzaam genoeg om het in zijn volheid tot mij door te laten dringen. Langs een voetbalveld werd reclame gemaakt. Niet zo maar reclame. Het bord beweerde dat het om een aannemersbedrijf ging, maar ik wist wel beter. Op het reclamebord stond de volgende boodschap: 'Ik koos Kluytmans'. Ik had meteen medelijden met de arme auteur van de geadverteerde roman. O, wreedheid der foutieve interpunctie. Er had natuurlijk moeten staan: 'Ik, Koos Kluytmans'. De provinciale variant van de grootstedelijke bon-vivant, zou men nu in Amsterdam schrijven, maar zo eenvoudig ligt dat natuurlijk niet. Het leven van Koos Kluytmans trok op die vroege donderdagochtend aan mijn geestesoog voorbij. Geboren in een katholiek gezin, drie broers, vier zussen ('eigenlijk vijf, want onze Mietje telde voor twee'). Ontdekte op zijn tiende de sigaretten, krap twee jaar daarna de joints, de meiskes en de bruine beugelfleskes, en stond allengs, graffittibus strak in de knuist geklemd, de vele vierkante meters brutalistisch beton van de Moderne Industriestad met zijn creaturen te overladen. Dat ging jaren goed in een katholiek geïnspireerde gedoogcultuur (as gij nou mar efkes mej die en die gaot praote, dan heurde gij d'r niks mir van...), maar op zeker moment had de Sterke Arm der Wet de arme Koos te pakken. Na jaren van onderzoeken, psychoses, meer creatie en prachtige kunst, een liaison met het achternichtje van Frans Bauer (een mens doet soms dingen, en het lieve kind beweerde bij hoog en laag dat ze een Mariaverschijning had gezien) kwam Koos vele illusies armer, maar ook veel sterker uit zijn persoonlijke strijd. En hij liet een ghost writer een roman schrijven. Zelf wilde hij nog steeds alleen maar met die verfbussen aan de slag, en dat schreef zo onhandig. Na bijna een contract gekregen te hebben bij De Nieuw Amsterdam (het ketste af omdat Heleen van Royen jaloers werd op het betreffende achternichtje) gaf hij de roman in eigen beheer uit, en liet hij zijn buurman de marketingcampagne opzetten. En zo is het gekomen.

Het verhaal van Koos Kluytmans is er één uit velen. Dat realiseerde ik mij pas toen ik, bij het verlaten van de Geelblauwe Rups in het Mekka van de Chocobollen opkeek, en na enige meters lopen een volgende romantitel geadverteerd zag staan. Dat het bestaan van dit boek pas na 25 jaar (want geloof me, ik ben veel vaker langs precies eendere marketing-uitingen gelopen zonder er acht op te slaan) tot mij doordrong ligt misschien aan mijzelf, maar het leed van de auteur (een anonymus m/v ditmaals) is er ongetwijfeld niet minder om. Ik ben sindsdien op zoek naar dit boek. Het heet 'Hera's Hekwerk', en ik heb redenen om aan te nemen dat het een feministische roman over de Klassieke Oudheid is. Ik heb Fay Weldon, Toni Morrisson en Germaine Greer al gebeld, die konden mij niet verder helpen. Wie mij kan tippen over waar ik deze roman kan vinden is welkom. De conclusie van deze geschiedenis moet echter luiden: wie gelezen wil worden, laat zijn werk niet adverteren aan voetbalvelden of op metalen omheiningen. Dan bestaat je publiek hooguit uit hen die uit het Veen ontsnapt zijn. Een twijfelachtige eer, maar anderzijds, om maar eens met Reve te spreken: gezien is niet onopgemerkt gebleven.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten